woensdag 18 maart 2020

Vogels, vissen

0 reacties


Ingmar Heytze schreef ‘Vogels, vissen’ in opdracht van EenVandaag, en las het ook voor hen voor.

Vogels, vissen
Zet de radio uit. Je hoort niets nieuws. De stilte wacht geduldig af.
Vouw de krant dicht. Hij was oud voordat hij werd gedrukt.
Zoek niet, deel niet, duim niet tot je vierkant ziet.
Zet eindelijk het scherm op zwart.

Ik ben net zo bang als jij, net zo bezorgd voor iedereen
die ik niet missen kan. Ik had ook gespaard voor andere dingen:
verre reizen, eerste hulp bij een gebroken hart,
een auto die wat vaker start.

Maar: in Wuhan hoor je vogels zingen.
Boven China was de lucht nog nooit zo blauw.
In Venetië zien ze vissen in het helderste water sinds tijden.

De kunst van leven was altijd dezelfde: ongevraagd komen,
ongewild gaan, intussen doen wat je het liefste doet,
vrede sluiten met je lot.

Sluit de voordeur. Zet de tuindeur open, voel de zon op je gezicht.
Denk voor je uit wat niemand hardop durft te zeggen:
wij zijn een virus dat een virus heeft gekregen.

Ingmar Heytze (1970)

zondag 2 februari 2020

02.02.2020

0 reacties


het vuurvliegje

Het vuurvliegje wou dat hij groot en ontzagwekkend was.
Hij zat thuis voor zijn raam en keek naar de zon,
die tussen het struikgewas door zijn kamer in scheen.
Nooit meer dat verschrikkelijke je achter mijn naam,
dacht hij. Dag vuurvliegje...
Ik zeg toch ook niet dag miertje, dag neushoorntje?
Hij wou dat hij onstuimig was, onrustbarend, overdonderend,
tomeloos en nog veel meer.

Als ik eens het vuurmonster was... dacht hij.
Het verzengende vuurmonster.
Ik zou uit zijn, onopvallend mijn eigen leven leiden, misschien zelfs medelijden wekken, en dan, op een dag, op een verjaardag, als iedereen taart had gegeten, achteroverleunde, zijn ogen dichtdeed en niet aan mij dacht, dan ging ik opeens aan.

En niet met een klein vlammetje, maar met een vuurzee!
Ze zouden verbijsterd zijn! En daarna zou nooit meer iemand mij het vuurvliegje noemen. Nooit. De vuurzeevlieg, zo zou ik heten!
Dat klonk nog beter dan het vuurzeemonster, meende hij.
Hij probeerde zijn ogen te laten vlammen, maar hij wist
dat ze maar een flauwe gloed verspreidden. Nog wel, dacht hij.
Hij ging aan zijn tafel zitten en schreef een brief:


Geachte dieren,

Ik heet voortaan anders.
Ik bén voortaan anders.
U zult vreemd opkijken als u mij tegenkomt.
Terugdeinzen is wel het minste wat u zult doen.
En ook zult moeten doen!
Als u jarig bent kan ik geheel vrijblijvend
voor een vrolijke vuurzee zorgen.
En ik bedoel een vuurzee, niet een vuurzeetje!
Ik hoor van u.
En u van mij.

De vuurzeevlieg
(voorheen het vuurvliegje)

De wind greep de brief en stuurde hem naar alle dieren.
Die avond zat hij voor het raam. Dat was weer eens onberaden van mij, die brief, dacht hij. Waarom ben ik ook altijd zo verongelijkt? Ik geef toch licht en wie geeft er nog meer licht?
Ja, de zon. Maar die telt niet. En de gloeiworm. Maar die gloeit, dat noem ik geen licht geven. Verder niemand, helemaal niemand! Ze mochten het willen. De olifant, de walvis...
Hij schudde zijn hoofd, zodat zijn hele vensterbank verlicht werd. Antwoord van de dieren kreeg hij niet, want zij hadden al eerder gelijksoortige brieven van hem gekregen.


Uit: De vuurzeevlieg / Toon Tellegen, Carll Cneut (ill.) - Querido (2019)