Doorgaan naar hoofdcontent

De archaïsche stilte van het boek

Een jaar geleden in Maastricht gekocht, nu pas gelezen: Eindelijk buiten van de Vlaamse filosofe Ann Meskens. De ondertitel zegt genoeg: filosofische stadswandelingen. Meskens houdt van wandelen, het liefst door de stad, haar stad, Mechelen.

De geschiedenis zit vol met filosofen die graag wandelden. Om gedachten op te doen of om ze juist kwijt te raken. De natuur in, weg van het volk of juist door de drukbevolkte straten van de stad, om dicht bij de mensen te zijn. Het levert in alle gevallen dezelfde ervaring op: vanaf de eerste stap stappen ze de oneindige vrijheid van de wandelruimte in.

De stadswandelingen van Meskens leveren een aantal filosofische mijmeringen op, omringd door citaten van de grote filosofen. Mijmeringen over het mondige individu & de zwijgende massa, over stad en platteland, over toerisme, over shoppen, over de kracht van herinneringen.

De kracht van het boek zit voor mij in het slot. Een aanklacht tegen het oorlogsgeweld via een ode aan het Stabat Mater. Een ode aan de ontroostbare moeder die achterblijven na het sterven van haar kind; een naamloze soldaat in een (uitzichtloze) oorlog. Het beroemde gedicht heeft veel componisten geïnspireerd tot het componeren van hun eigen Stabat Mater, waarvan de versie van Pergolesi misschien wel de mooiste is. Meskens geeft in dit essay de ministers en generaals, die hun oorlogsverklaring tekenen, het gezicht van de mensen die het werkelijke gevecht leveren. Een indringende mijmering.

Bijna nog mooier wordt het als Meskens in het nawoord een verbinding legt tussen de stad en taal. Waarmee ze in de eerste plaats haar drang tot wandelen én schrijver verantwoordt. Maar de treffende vergelijking inspireert mij - als huismus pur sang - om weer eens met andere ogen naar mijn stad en mijn taal te kijken.
Hoeveel woorden zijn er nodig voor een zin, hoeveel gedachten voor een verhaal, hoeveel essays voor een boek?
Ludwig Wittgenstein vroeg zich in zijn Filosofische onderzoekingen af hoeveel huizen en straten er nodig zijn vooraleer een stad een stad wordt. Het was geen andere vraag. Volgens hem was de taal opgebouwd zoals een oude stad:
"Een wirwar van steegjes en pleintjes, oude en nieuwe huizen, en huizen waar in verschillende tijden stukken zijn aangebouwd; en dit alles omgeven door een aantal nieuwe buitenwijken met rechte en regelmatige straten en met gelijkvormige huizen."
Men wandelt er met plezier rond. Men raakt er soms de weg kwijt. Men struikelt al eens over een steen. Af en toe loopt men tegen de muur. Net zoals in de echte stad. En men vraagt zich plots verwonderd af: waar wilde men eigenlijk naartoe en wat wilde men onderweg nog zeggen?

Het laatste citaat lijkt tijdloos en mag op dit biblioblog niet ontbreken.
De krant wordt al meer van boven naar beneden gelezen, film en reclame dwingen het schrift volledig tot dictatoriale verticaliteit. En eer een tijdgenoot ertoe komt een boek open te slaan, is op zijn ogen reeds zo'n dicht gedwarrel aan wisselende, kleurige, botsende letters neergedaald, dat zijn kansen om nog binnen te dringen in de archaïsche stilte van het boek gering geworden zijn.
- Walter Benjamin, Eenrichtingstraat (1918)

En als ik - wandelend of niet - om me heen kijk, is dat vooral wat mij soms zo tegenstaat: de 'dictatoriale' informatie-overload en het gebrek aan 'archaïsche stilte'. Ouderwets? Misschien. Maar wel mooi gezegd, toch?

Reacties

  1. Dit is heel mooi gezegd (en in 1918 al!!! kun je nagaan!!!)

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Nou ja, heb ik mij nou voor mijn Eazy laat je alle hoeken v.d stad zien laten inspireren door jouw artikel? Ik weet het echt niet meer. Die wandeling zal wel een stuk minder filosofisch zijn vrees ik.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. @eazy: gevalletje van collectieve inspiratie ;-) Wie weet ontstaat het filosoferen vanzelf na afloop van de wandeling, bij een goed glas van het één of ander. Warme chocolademelk bijvoorbeeld.

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Populaire scribble

Spoedberaad

We zitten midden in de module Moreel Beraad. We leren waar een ethisch dilemma aan moet voldoen, welke vormen van moreel beraad er zijn en hoe je als geestelijk begeleider een goede gespreksleider bent. We oefenen in groepjes met zelf ingebrachte casussen. Twee dingen zijn cruciaal in dit proces: wat is de werkelijke kernvraag en waar ligt het 'hittepunt' van het dilemma. Zo puzzel je als groep stapsgewijs naar een besluit waarmee je de minste morele schade aanricht. Het analytische van deze rol ligt me wel. In de praktijk word ik onverwacht uitgedaagd. De hele weg van Enschede naar Utrecht loopt mijn morele stressthermometer op naar een vurig hittepunt door de schaamteloze houding van een medereiziger. Best knap eigenlijk, dat je zo stoïcijns helemaal je eigen ding kunt doen. Ondertussen oefen ik op de zinsconstructie van de juiste kernvraag: "Moet ik de reiziger op dit moment aanspreken op het vervuilen van de zitplaats en bezethouden van twee extra plekken, als hij verd